Ännchen von Tharau

Uit Academia Studentica Wiki - nl
Naar navigatie springenNaar zoeken springen


Annchen von Tharau.jpg
Annchen von Tharau (Partiturencodex KVHV, 1965).jpg

Lied

Tekst: Johann Simon Dach (1605-1659)
Melodie: Philipp Friedrich Silcher (1789-1860)

  1. Ännchen von Tharau ist’s die mir gefällt,
    Sie ist mein Leben, mein Gut und mein Geld.
    Ännchen von Tharau hat wieder ihr Herz
    Auf mich gerichtet in Liebe und Schmerz.
    Ännchen von Tharau, mein Reichtum, mein Gut,
    Du, meine Seele, mein Fleisch und mein Blut.

  2. Käm alles Wetter gleich auf uns heran,
    Wir sind gesinnt, bei einander zu stahn.
    Krankheit, Verfolgung, Betrübnis und Pein
    Soll unsrer Liebe Zusammenschluss sein.
    Ännchen von Tharau, mein Licht, meine Sonn,
    Mein Leben schliess ich um deines herum.

  3. So wie ein Palmenbaum über sich steigt,
    Hat ihn erst Regen und Sturmwind gebeugt,
    So wird die Lieb’in uns mächtig und gross
    Nach manchem Leiden und traurigem Los.
    Ännchen von Tharau, mein Reichtum, mein Gut,
    Du, meine Seele, mein Fleisch und mein Blut.

Aanvullende info

Ännchen von Tharau, in Samisch Nederduits "Anke van Tharaw", is de titel van een volksliedje, afkomstig uit het 17e eeuwse Oost-Pruisen dat in 17 strofen Anna Neander von Tharau (1615-1689) bezingt. Zij werd geboren in Tharau, als dochter van Martin Andreas Neander von Tharau, dominee in de Dom van Königsberg in het toenmalige Oost-Pruisen (na 1945 Vladimirovo in de oblast Kaliningrad) en groeide op in een protestantse pastorie. Zij verloor zowel moeder als vader in 1629 tijdens de Dertigjarige Oorlog en bracht haar verdere jeugd door bij haar oom en peetvader Caspar Stolzenberg in Königsberg. In 1636 huwde zij met Johannes Portatius, die aanvankelijk dominee werd in Trempen (nu Nowostrojewo) in het district Darkehmen. In 1641 verhuisde hij naar de kerk in Laukischken (het huidige Saranskoje) in het district Labiau, waar hij ongeveer 35 jaar heeft gewoond. Haar man overleed in 1646.

Na zijn dood trouwde zij naar het gebruik van die tijd met zijn opvolger, dominee Christoph Grube. Hij stierf na slechts zes jaar huwelijk en Anna trouwde met de nieuwe opvolger, dominee Johann Melchior Beilstein.

Nadat Ännchen ook haar derde echtgenoot had overleefd, verhuisde zij in 1676 naar Insterburg om bij haar oudste zoon Friedrich Portatius te gaan wonen, die predikant was in de Lutherse kerk. Hier overleed zij in 1689 en werd begraven op het daar gelegen kerkhof. Tegenwoordig wordt zij herdacht door een gedenksteen in een park in Insterburg met het opschrift "Ännchen v. Tharau zum Gedenken" in het Duits.

Anna kreeg elf kinderen, maar acht daarvan stierven jong.


Oorspronkelijk werd de tekst van dit lied geschreven in het Samisch Nederduits en gecomponeerd ter gelegenheid van Anna Neander's eerste huwelijk met de priester Johannes Portatius in december 1636. De ene overlevering wil dat Portatius dit lied bestelde bij een vriend van hem, Simon Dach (1605-1659), docent aan de universiteit van Königsberg, als huwelijksgeschenk voor zijn bruid. Een andere overlevering wil dat Dach aanwezig was op het huwelijk van Johannes en Anna en dat hij daar verliefd op haar geworden is en daarom dit lied geschreven heeft. Nog een andere overlevering wil dat de opdracht voor het lied verstrekt werd door Johann von Klingsporn, een rijke vriend van Dach, die later, in 1652, de inmiddels weduwe geworden Anna nog een huwelijksaanzoek deed.

Men was er in de Duitse literatuurgeschiedenis op een gegeven moment van overtuigd dat het lied niet geschreven werd door Dach, maar door Heinrich Albert, de organist van de Dom van Königsberg. Deze twijfels werden intussen weerlegd. Heinrich Albert publiceerde namelijk een eerste toonzetting in 1642, die gebaseerd is op verschillende versies van de Reigen Ännerlein von Torgen uit 1590 van een onbekende componist. Het gedicht werd door Anke's landgenoot Johann Gottfried Herder getranscribeerd in de standaard Duitse vorm van die tijd en in 1778 gepubliceerd in Volkslieder nebst untermischten anderen Stücken onder de titel Annchen von Tharau. In 1827 zette Friedrich Silcher deze tekst op een nieuwe melodie die vandaag algemeen bekend is. In 1845 vertaalde Henry Wadsworth Longfellow het gedicht in het Engels (Annie of Tharaw).

Vandaag de dag staat in de Litouwse stad Klaipėda (het vroegere Memel) de Simon Dach-fontein, waarop ook Ännchen von Tharau staat afgebeeld.

In 1878 ging de opera Ännchen von Tharau in première in het Stadttheater Hamburg. Het libretto was van Roderich Fels, de compositie van Heinrich Hofmann. De opera werd heropgevoerd in Riga, Brno, Graz, Rotterdam en Basel en tenslotte gepresenteerd in twee Berlijnse operahuizen, de Krolloper in 1886 en de Hofoper in 1889. Het werk verdween daarna van het repertoire. De componist Heinrich Strecker creëerde ook een operette met dezelfde naam, die in 1933 in Breslau in première ging. Het libretto van Bruno Hardt-Warden en Hans Spirk vertoont weinig gelijkenis met de traditie en eindigt met een happy end voor Simon Dach en Ännchen.

In 1954 werd een Heimatfilm onder de titel Ännchen von Tharau gemaakt, geregisseerd door Wolfgang Schleif, gebaseerd op motieven uit het leven van de historische Ännchen. Bovendien wordt een rozensoort Ännchen von Tharau genoemd.


Samisch Nederduits Hoogduits Nederlands Engels

Anke van Tharaw öß, de my geföllt,
Se öß mihn Lewen, mihn Goet on mihn Gölt.

Anke van Tharaw heft wedder eer Hart
Op my geröchtet ön Löw’ on ön Schmart.

Anke van Tharaw mihn Rihkdom, mihn Goet,
Du mihne Seele, mihn Fleesch on mihn Bloet.

Quöm’ allet Wedder glihk ön ons tho schlahn,
Wy syn gesönnt by een anger tho stahn.

Kranckheit, Verfälgung, Bedröfnös on Pihn,
Sal vnsrer Löve Vernöttinge syn.

Recht as een Palmen-Bohm äver söck stöcht,
Je mehr en Hagel on Regen anföcht.

So wardt de Löw’ ön onß mächtich on groht,
Dörch Kryhtz, dörch Lyden, dörch allerley Noht.

Wördest du glihk een mahl van my getrennt,
Leewdest dar, wor öm dee Sönne kuhm kennt;

Eck wöll dy fälgen dörch Wöler, dörch Mär,
Dörch Yhß, dörch Ihsen, dörch fihndlöcket Hähr.

Anke van Tharaw, mihn Licht, mihne Sönn,
Mihn Leven schluht öck ön dihnet henönn.

Wat öck geböde, wart van dy gedahn,
Wat öck verböde, dat lätstu my stahn.

Wat heft de Löve däch ver een Bestand,
Wor nich een Hart öß, een Mund, eene Hand?

Wor öm söck hartaget, kabbelt on schleyht,
On glihk den Hungen on Katten begeyht.

Anke van Tharaw dat war wy nich dohn,
Du böst mihn Dühfkë myn Schahpkë mihn Hohn.

Wat öck begehre, begehrest du ohck,
Eck laht den Rack dy, du lätst my de Brohk.

Dit öß dat, Anke, du söteste Ruh’
Een Lihf on Seele wart uht öck on Du.

Dit mahckt dat Lewen tom Hämmlischen Rihk,
Dörch Zancken wart et der Hellen gelihk.

Ännchen von Tharau ist’s, die mir gefällt,
Sie ist mein Leben, mein Gut und mein Geld.

Ännchen von Tharau hat wieder ihr Herz
Auf mich gerichtet in Lieb und in Schmerz.

Ännchen von Tharau, mein Reichthum, mein Gut,
Du meine Seele, mein Fleisch und mein Blut!

Käm alles Wetter gleich auf uns zu schlahn,
Wir sind gesinnet bei einander zu stahn.

Krankheit, Verfolgung, Betrübnis und Pein
Soll unsrer Liebe Verknotigung sein.

Recht als ein Palmenbaum über sich steigt,
Je mehr ihn Hagel und Regen anficht;

So wird die Lieb’ in uns mächtig und groß
Durch Kreuz, durch Leiden, durch allerlei Noth.

Würdest du gleich einmal von mir getrennt,
Lebtest, da wo man die Sonne kaum kennt;

Ich will dir folgen durch Wälder, durch Meer,
Durch Eis, durch Kerker, durch feindliches Heer.

Ännchen von Tharau, mein Licht, meine Sonn,
Mein Leben schließ’ ich um deines herum.

Was ich gebiete, wird von dir getan,
Was ich verbiete, das lässt du mir stahn.

Was hat die Liebe doch für ein Bestand,
Wo nicht ein Herz ist, ein Mund, eine Hand?

Wo man sich peiniget, zanket und schlägt,
Und gleich den Hunden und Katzen begeht.

Ännchen von Tharau, das wolln wir nicht tun;
Du bist mein Täubchen, mein Schäfchen, mein Huhn.

Was ich begehre, begehrst du auch,
Ich lass den Rock dir, du lässt mir den Brauch.

Dies ist dem Ännchen die süßeste Ruh’,
Ein Leib und Seele wird aus Ich und Du.

Dies macht das Leben zum himmlischen Reich,
Durch Zanken wird es der Hölle gleich.

Anke van Tharau is het die mij bevalt,
Zij is mijn leven, mijn goed en mijn geld.

Anke van Tharau heeft op haar beurt haar hart
Op mij gericht in liefde en smart.

Anke van Tharau, mijn rijkdom, mijn goed,
Jij mijn ziel, mijn vlees en mijn bloed!

Kwam al het noodweer tegelijk op ons af,
Wij zijn vastbesloten bij elkaar te blijven staan.

Ziekte, vervolging, droefheid en pijn
Bezegelt alleen maar onze liefde.

Zoals een palmboom alleen maar groeit,
Hoe meer hij blootstaat aan hagel en regen;

Zo wordt de liefde in ons machtig en groot
Door leed, door lijden, door allerhande nood.

Zou je ooit van mij gescheiden worden,
En komen te leven waar men de zon nauwelijks kent;

Ik zal je volgen door wouden, door de zee,
Door ijs, door kerkers, door een vijandig leger.

Anke van Tharau, mijn licht, mijn zon,
Mijn leven vouw ik om het jouwe heen.

Wat ik gebied, wordt door jou gedaan,
Wat ik verbied, laat jij voor mij staan.

Wat blijft er immers nog van liefde over,
Als er niet één hart is, één mond en één hand?

Waar men elkaar pijn doet, ruziet en vecht,
En zich gedraagt als honden en katten.

Anke van Tharau, dat gaan wij niet doen;
Jij bent mijn duifje, mijn schaapje, mijn hoen.

Wat ik begeer, begeer jij ook,
Ik laat de rok aan jou, jij laat mij de broek.

Dit is voor Anke de zoetste rust,
Eén lijf en één ziel wordt uit mij en jou.

Dit maakt het leven tot het hemelse rijk,
Door ruziën wordt het de hel gelijk.

ANNIE of Tharaw, my true love of old,
She is my life, and my goods, and my gold.

Annie of Tharaw her heart once again
To me has surrendered in joy and in pain.

Annie of Tharaw, my riches, my good,
Thou, O my soul, my flesh, and my blood!

Then come the wild weather, come sleet or come snow,
We will stand by each other, however it blow.

Oppression, and sickness, and sorrow, and pain
Shall be to our true love as links to the chain.

As the palm-tree standeth so straight and so tall,
The more the hail beats, and the more the rains fall,—

So love in our hearts shall grow mighty and strong,
Through crosses, through sorrows, through manifold wrong.

Shouldst thou be torn from me to wander alone
In a desolate land where the sun is scarce known,—

Through forests I’ll follow, and where the sea flows,
Through ice, and through iron, through armies of foes.

Annie of Tharaw, my light and my sun,
The threads of our two lives are woven in one.

Whate’er I have bidden thee thou hast obeyed,
Whatever forbidden thou hast not gainsaid.

How in the turmoil of life can love stand,
Where there is not one heart, and one mouth, and one hand?

Some seek for dissension, and trouble, and strife;
Like a dog and a cat live such man and wife.

Annie of Tharaw, such is not our love;
Thou art my lambkin, my chick, and my dove.

Whate’er my desire is, in thine may be seen;
I am king of the household, and thou art its queen.

It is this, O my Annie, my heart’s sweetest rest,
That makes of us twain but one soul in one breast.

This turns to a heaven the hut where we dwell;
While wrangling soon changes a home to a hell.

Bronnen