Ännchen von Tharau
Lied
Tekst: Johann Simon Dach (1605-1659)
Melodie: Philipp Friedrich Silcher (1789-1860)
- Ännchen von Tharau ist’s die mir gefällt,
Sie ist mein Leben, mein Gut und mein Geld.
Ännchen von Tharau hat wieder ihr Herz
Auf mich gerichtet in Liebe und Schmerz.
Ännchen von Tharau, mein Reichtum, mein Gut,
Du, meine Seele, mein Fleisch und mein Blut.
- Käm alles Wetter gleich auf uns heran,
Wir sind gesinnt, bei einander zu stahn.
Krankheit, Verfolgung, Betrübnis und Pein
Soll unsrer Liebe Zusammenschluss sein.
Ännchen von Tharau, mein Licht, meine Sonn,
Mein Leben schliess ich um deines herum.
- So wie ein Palmenbaum über sich steigt,
Hat ihn erst Regen und Sturmwind gebeugt,
So wird die Lieb’in uns mächtig und gross
Nach manchem Leiden und traurigem Los.
Ännchen von Tharau, mein Reichtum, mein Gut,
Du, meine Seele, mein Fleisch und mein Blut.
Aanvullende info
Ännchen von Tharau, in Samisch Nederduits "Anke van Tharaw", is de titel van een volksliedje, afkomstig uit het 17e eeuwse Oost-Pruisen dat in 17 strofen Anna Neander von Tharau (1615-1689) bezingt. Zij werd geboren in Tharau, als dochter van Martin Andreas Neander von Tharau, dominee in de Dom van Königsberg in het toenmalige Oost-Pruisen (na 1945 Vladimirovo in de oblast Kaliningrad) en groeide op in een protestantse pastorie. Zij verloor zowel moeder als vader in 1629 tijdens de Dertigjarige Oorlog en bracht haar verdere jeugd door bij haar oom en peetvader Caspar Stolzenberg in Königsberg. In 1636 huwde zij met Johannes Portatius, die aanvankelijk dominee werd in Trempen (nu Nowostrojewo) in het district Darkehmen. In 1641 verhuisde hij naar de kerk in Laukischken (het huidige Saranskoje) in het district Labiau, waar hij ongeveer 35 jaar heeft gewoond. Haar man overleed in 1646.
Na zijn dood trouwde zij naar het gebruik van die tijd met zijn opvolger, dominee Christoph Grube. Hij stierf na slechts zes jaar huwelijk en Anna trouwde met de nieuwe opvolger, dominee Johann Melchior Beilstein.
Nadat Ännchen ook haar derde echtgenoot had overleefd, verhuisde zij in 1676 naar Insterburg om bij haar oudste zoon Friedrich Portatius te gaan wonen, die predikant was in de Lutherse kerk. Hier overleed zij in 1689 en werd begraven op het daar gelegen kerkhof. Tegenwoordig wordt zij herdacht door een gedenksteen in een park in Insterburg met het opschrift "Ännchen v. Tharau zum Gedenken" in het Duits.
Anna kreeg elf kinderen, maar acht daarvan stierven jong.
Oorspronkelijk werd de tekst van dit lied geschreven in het Samisch Nederduits en gecomponeerd ter gelegenheid van Anna Neander's eerste huwelijk met de priester Johannes Portatius in december 1636. De ene overlevering wil dat Portatius dit lied bestelde bij een vriend van hem, Simon Dach (1605-1659), docent aan de universiteit van Königsberg, als huwelijksgeschenk voor zijn bruid. Een andere overlevering wil dat Dach aanwezig was op het huwelijk van Johannes en Anna en dat hij daar verliefd op haar geworden is en daarom dit lied geschreven heeft. Nog een andere overlevering wil dat de opdracht voor het lied verstrekt werd door Johann von Klingsporn, een rijke vriend van Dach, die later, in 1652, de inmiddels weduwe geworden Anna nog een huwelijksaanzoek deed.
Men was er in de Duitse literatuurgeschiedenis op een gegeven moment van overtuigd dat het lied niet geschreven werd door Dach, maar door Heinrich Albert, de organist van de Dom van Königsberg. Deze twijfels werden intussen weerlegd. Heinrich Albert publiceerde namelijk een eerste toonzetting in 1642, die gebaseerd is op verschillende versies van de Reigen Ännerlein von Torgen uit 1590 van een onbekende componist. Het gedicht werd door Anke's landgenoot Johann Gottfried Herder getranscribeerd in de standaard Duitse vorm van die tijd en in 1778 gepubliceerd in Volkslieder nebst untermischten anderen Stücken onder de titel Annchen von Tharau. In 1827 zette Friedrich Silcher deze tekst op een nieuwe melodie die vandaag algemeen bekend is. In 1845 vertaalde Henry Wadsworth Longfellow het gedicht in het Engels (Annie of Tharaw).
Vandaag de dag staat in de Litouwse stad Klaipėda (het vroegere Memel) de Simon Dach-fontein, waarop ook Ännchen von Tharau staat afgebeeld.
In 1878 ging de opera Ännchen von Tharau in première in het Stadttheater Hamburg. Het libretto was van Roderich Fels, de compositie van Heinrich Hofmann. De opera werd heropgevoerd in Riga, Brno, Graz, Rotterdam en Basel en tenslotte gepresenteerd in twee Berlijnse operahuizen, de Krolloper in 1886 en de Hofoper in 1889. Het werk verdween daarna van het repertoire. De componist Heinrich Strecker creëerde ook een operette met dezelfde naam, die in 1933 in Breslau in première ging. Het libretto van Bruno Hardt-Warden en Hans Spirk vertoont weinig gelijkenis met de traditie en eindigt met een happy end voor Simon Dach en Ännchen.
In 1954 werd een Heimatfilm onder de titel Ännchen von Tharau gemaakt, geregisseerd door Wolfgang Schleif, gebaseerd op motieven uit het leven van de historische Ännchen. Bovendien wordt een rozensoort Ännchen von Tharau genoemd.
| Samisch Nederduits | Hoogduits | Nederlands | Engels |
|---|---|---|---|
|
Anke van Tharaw öß, de my geföllt, Anke van Tharaw heft wedder eer Hart Anke van Tharaw mihn Rihkdom, mihn Goet, Quöm’ allet Wedder glihk ön ons tho schlahn, Kranckheit, Verfälgung, Bedröfnös on Pihn, Recht as een Palmen-Bohm äver söck stöcht, So wardt de Löw’ ön onß mächtich on groht, Wördest du glihk een mahl van my getrennt, Eck wöll dy fälgen dörch Wöler, dörch Mär, Anke van Tharaw, mihn Licht, mihne Sönn, Wat öck geböde, wart van dy gedahn, Wat heft de Löve däch ver een Bestand, Wor öm söck hartaget, kabbelt on schleyht, Anke van Tharaw dat war wy nich dohn, Wat öck begehre, begehrest du ohck, Dit öß dat, Anke, du söteste Ruh’ Dit mahckt dat Lewen tom Hämmlischen Rihk, |
Ännchen von Tharau ist’s, die mir gefällt, Ännchen von Tharau hat wieder ihr Herz Ännchen von Tharau, mein Reichthum, mein Gut, Käm alles Wetter gleich auf uns zu schlahn, Krankheit, Verfolgung, Betrübnis und Pein Recht als ein Palmenbaum über sich steigt, So wird die Lieb’ in uns mächtig und groß Würdest du gleich einmal von mir getrennt, Ich will dir folgen durch Wälder, durch Meer, Ännchen von Tharau, mein Licht, meine Sonn, Was ich gebiete, wird von dir getan, Was hat die Liebe doch für ein Bestand, Wo man sich peiniget, zanket und schlägt, Ännchen von Tharau, das wolln wir nicht tun; Was ich begehre, begehrst du auch, Dies ist dem Ännchen die süßeste Ruh’, Dies macht das Leben zum himmlischen Reich, |
Anke van Tharau is het die mij bevalt, Anke van Tharau heeft op haar beurt haar hart Anke van Tharau, mijn rijkdom, mijn goed, Kwam al het noodweer tegelijk op ons af, Ziekte, vervolging, droefheid en pijn Zoals een palmboom alleen maar groeit, Zo wordt de liefde in ons machtig en groot Zou je ooit van mij gescheiden worden, Ik zal je volgen door wouden, door de zee, Anke van Tharau, mijn licht, mijn zon, Wat ik gebied, wordt door jou gedaan, Wat blijft er immers nog van liefde over, Waar men elkaar pijn doet, ruziet en vecht, Anke van Tharau, dat gaan wij niet doen; Wat ik begeer, begeer jij ook, Dit is voor Anke de zoetste rust, Dit maakt het leven tot het hemelse rijk, |
ANNIE of Tharaw, my true love of old, Annie of Tharaw her heart once again Annie of Tharaw, my riches, my good, Then come the wild weather, come sleet or come snow, Oppression, and sickness, and sorrow, and pain As the palm-tree standeth so straight and so tall, So love in our hearts shall grow mighty and strong, Shouldst thou be torn from me to wander alone Through forests I’ll follow, and where the sea flows, Annie of Tharaw, my light and my sun, Whate’er I have bidden thee thou hast obeyed, How in the turmoil of life can love stand, Some seek for dissension, and trouble, and strife; Annie of Tharaw, such is not our love; Whate’er my desire is, in thine may be seen; It is this, O my Annie, my heart’s sweetest rest, This turns to a heaven the hut where we dwell; |