Hoog op de gele wagen
Lied
Tekst: Margot Vos naar Rudolf Baumbach (1840–1905) in 1879
Melodie: Heinz Höhne (1892–1968) in 1922
- Hoog op de gele wagen
rijd ik door berg en dal
Lustig de kleppers draven,
blij klinkt het hoorngeschal
Water, wouden en weiden,
stromen zo machtig en vrij
Ik kan van uw schoon haast niet scheiden,
maar 't gaat voorbij, voorbij!
Ik kan van uw schoon haast niet scheiden,
maar 't gaat voorbij, voorbij!
- Bassen, violen en fluiten
zingen door dorpen blond
Vrolijke frisse kornuiten
springen om de linde in 't rond
Mee danst het blad in de winden,
zwierend en zwaaiend joechei
Hoe graag bleef ik daar bij die linde,
maar 't gaat voorbij, voorbij!
Hoe graag bleef ik daar bij die linde,
maar 't gaat voorbij, voorbij!
- Postiljon in de taveerne
voedert de rossen in vlucht
Lachende waard komt zich weren,
reikt mij een glas in de lucht
Blondkopje achter de rozen,
schuift het gordijntje opzij
Mijn hart zou zo graag daar verpozen,
maar 't gaat voorbij, voorbij!
Mijn hart zou zo graag daar verpozen,
maar 't gaat voorbij, voorbij!
- Eens snelt voorbij mijn wagen,
duistere schim leidt mijn reis
Klinkende horens versagen,
neven de zweep staat de zeis
Vrienden van liefde en leven,
vangt er mijn laatste groet
Hoe graag was ik bij u gebleven,
maar 't gaat voorbij, voorgoed!
Hoe graag was ik bij u gebleven,
maar 't gaat voorbij, voorgoed!
Aanvullende info
Hoog op de gele wagen is een vertaling van een bekend duits volkslied Hoch auf dem gelben Wagen, dat op haar beurt afgeleid werd van een gedicht uit de jaren 1870: Der Wagen rollt van Rudolf Baumbach (Leraar-dichter uit Thuringen, 1840-1905).
De melodie werd pas in 1922 door de Berlijnse apotheker Heinz Höhne gecomponeerd.
In de tekst wordt het menselijk leven beschreven als een reis in een postkoets. In de tweede regel, "sitz ich beim Schwager vorn", verwijst het woord "Schwager" naar de postillon (van Frans chevalier "postruiter"). Het refrein "Möchte/bliebe/Gern wär' ich , / Aber der Wagen, der rollt", waarmee elke strofe in een iets andere vorm wordt besloten, verwijst naar het verglijden van het leven, waarvan de loop niet kan worden gestopt. Het lied kan worden opgevat als een nostalgische blik op "oude tijden", aangezien op het moment van de compositie het tijdperk van de postkoetsen al ten einde liep door de uitbreiding van het spoorwegnet.
Het lied werd een herkenningswijs van de Wandervogelbewegung, een soort romantisch verzet tegen de Duitse industrialisatie.
De Nederlandse vertaling van Margot Vos (Nederlands socialistisch dichteres, 1891-1985) werd een must tijdens de muziekles op school en een absolute hit in de jeugdbeweging en tijdens schoolreizen.
Originele tekst
- Hoch auf dem gelben Wagen
sitz ich beim Schwager vorn.
Vorwärts die Rosse traben,
lustig schmettert das Horn.
Berge Täler und Auen,
leuchtendes Ährengold,
ich möcht in Ruhe gern schauen;
aber der Wagen, der rollt.
- Flöten hör ich und Geigen,
lustiges Baßgebrumm,
junges Volk im Reigen
tanzt um die Linde herum.
Wirbelnde Blätter im Winde,
es jauchzt und lacht und tollt,
ich bliebe so gern bei der Linde;
aber der Wagen, der rollt.
- Postillion in der Schenke
füttert Rosse im Flug,
schäumendes Gerstengetränke
reicht uns der Wirt im Krug.
Hinter den Fensterscheiben
lacht ein Gesicht gar hold,
ich möchte so gerne noch bleiben,
aber der Wagen, der rollt.
- Sitzt einmal ein Gerippe
hoch auf dem Wagen vorn,
hält statt der Peitsche die Hippe,
Stundenglas statt Horn.
Sag ich: Ade, nun, ihr Lieben,
die ihr nicht mitfahren wollt,
ich wäre so gern noch geblieben,
aber der Wagen, der rollt.